"De woning van de exploitanten van een landbouwbedrijf is, naast de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, toegelaten in agrarisch gebied. De woning moet een integrerend geheel deel uitmaken van het gebouwencomplex van het bedrijf of fysisch geïntegreerd zijn in het bedrijf."
[...]
"Net zoals, nog steeds volgens LUST, art. 11.4.1 van het KB van 28.12.1972 niet vereist dat de exploitant fulltime tewerkgesteld is op het (landbouw)bedrijf of dat de landbouwactiviteit zijn hoofdberoep moet zijn."
"De beoordeling van de inplantingsplaats van de bedrijfswoning behoort tot de soevereine beoordelingsbevoegdheid van de administratieve overheid."
Ook volgende omzendbrief zal van belang zijn: Omzendbrief RO/2002/01: Richtlijnen voor de beoordeling van aanvragen om een stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen of oprichten van stallingen voor weidedieren, geen betrekking hebbend op effectieve beroepslandbouwbedrijven http://www.ruimtelijkeordening.be/Defau ... abid=13884ART. 11.
4.1. De agrarische gebieden zijn bestemd voor de landbouw in de ruime zin. Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven.
Behoudens andersluidende stedenbouwkundige voorschriften (bv. BPA/RUP) is het m.i. dus niet verplicht om landbouwer te zijn in hoofdberoep. Het lijkt mij dus een haalbare kaart, mits u voldoet aan de gestelde voorwaarden.II. ANDERE PARA-AGRARISCHE BEDRIJVEN, DIE MINDER AFGESTEMD ZIJN OP DE GRONDGEBONDEN LANDBOUW
Enkele voorbeelden van dergelijke bedrijven ter verduidelijking :
[1. Stallen voor paardenhouderijen met minstens 10 paarden, waarbij de hoofdactiviteit is gericht op het fokken en/of houden van paarden en eventueel bijkomend op het africhten, opleiden en/of verhandelen ervan, en, afhankelijk van de omvang van de paardenhouderij als activiteit, inclusief de aanhorigheden, zoals bergingen voor voeder, materieel en onderhoud, de gebeurlijke manège, binnen- of buitenpiste, een tredmolen, een groom, verhardingen en afsluitingen, enz.
Stallen en andere constructies zijn maar toegelaten voor zover de paardenhouderij over een in verhouding tot het aantal paarden staande voldoende oppervlakte aan loopweiden in eigendom of in pacht heeft.
Indien voldaan aan bovenvermelde voorwaarden kan TS als para-agrarisch worden beschouwd en kan m.i. dus evengoed een stedenbouwkundige vergunning worden verleend voor het (in)bouwen van een exploitantenwoning. Daar hebben 'instandhoudingswerken' (die als begrip m.i. zelfs niet gebruikt wordt in de VCRO (wel het begrip 'onderhoudswerken')) toch niets mee te zien? Bovendien, als de loods hoofdzakelijk vergund is, kunnen onderhoudswerken cfr. art. 4.4.1 VCRO altijd vergund worden. Dergelijke werken worden immers nooit beschouwd als strijdig met voorschriften van het gewestplan, gewestelijke of provinciale RUP's."Instandhoudingswerken" dat is het geheel van de werken die bedoeld zijn om de "loods" .. gegeven de huidige toestand .. om deze niet verder te laten verkommeren; als die werken dus verder gaan als de "instandhouding" van de loods voor het gebruik zoals oorspronkelijk voorzien..... dan geef je zelf aan dat U andere bedoelingen hebt en dan zal je wellicht GEEN bouwvergunning verkrijgen!
ART. 1. In dit besluit wordt verstaan onder:
2° gebouwengroep: minstens drie gebouwen of gebouwencomplexen, al dan niet aan dezelfde kant van de straat gelegen, die samen geen functioneel, maar wel een ruimtelijk aaneengesloten geheel vormen;
ART. 5. Met toepassing van artikel 4.4.23 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening kan een vergunning worden verleend voor het geheel of gedeeltelijk wijzigen van het gebruik van een gebouw of gebouwencomplex, niet gebruikt of bedoeld voor de "landbouw" in de ruime zin, in maximaal één eengezinswoning per gebouwencomplex, voorzover aan al de volgende voorwaarden voldaan is:
1° het gebouw of gebouwencomplex maakt deel uit van een gebouwengroep;
2° in de ruimere omgeving van het gebouw of het gebouwencomplex komen nog gebouwen voor met de vergunde functie wonen.
ART. 2. §1. De functiewijzigingen, vermeld in dit besluit, kunnen enkel worden toegestaan als voldaan is aan de generieke voorwaarden, vermeld in artikel 4.4.23, eerste lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.
§2. De functiewijzigingen, vermeld in artikel 4 tot en met 9, kunnen enkel worden toegestaan als het gebouw of het gebouwencomplex gelegen is aan een voldoende uitgeruste weg, die op het ogenblik van de aanvraag reeds bestaat. Het begrip “voldoende uitgeruste weg” wordt gelezen in de zin die artikel 4.3.5 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening daaraan geeft.
De voorwaarde, vermeld in het eerste lid, heeft geen betrekking op de private toegangsweg tot het commerciële, ambachtelijke of industriële gebouw of gebouwencomplex of tot de woning voor zover deze private toegangsweg aansluit op een voldoende uitgeruste weg.
§3. De functiewijzigingen, vermeld in artikel 4 tot en met artikel 10, kunnen enkel worden toegestaan als het gebouw of gebouwencomplex bouwfysisch geschikt is voor de nieuwe functie.
Een gebouw of gebouwencomplex is bouwfysisch geschikt voor een nieuwe functie als aan het gebouw of gebouwencomplex uit financieel of bouwtechnisch oogpunt geen ingrijpende werken uitgevoerd hoeven te worden voor de nieuwe functie. Daarmee wordt bedoeld dat de functie gerealiseerd kan worden als de bestaande structuur van het gebouw grotendeels wordt benut en gevaloriseerd, waarbij het gebouw aangepast kan worden aan hedendaagse comfort-, energie- of milieueisen.